Maria Duijm: De Oorlogsweek te Rotterdam 10 - 14 mei 1940 en Het bombardement op Amsterdam (Noord) 17 juli 1943
De auteur is 13 jaar. Zij woont als oudste dochter in gezin met 5 kinderen in Rotterdam tijdens het uitbreken van de oorlog. De ochtend begint met overvliegende vliegtuigen en bombardementen. Er is die dag geen school. Als er vliegtuigen over komen staat ze voor de ramen te kijken. Er wordt geschoten. Ze verduisteren het huis beter. Boodschappen doen en kerkbezoek wordt moeilijk. Er wordt teruggeschoten door Nederlandse militairen. De auteur is bang. Toch wordt Moederdag gevierd met taart. Ze schuilen in de diep gelegen schuilkelder van een drukkerij tegenover hun huis. Ze hoort niets van buiten en moet uren blijven zitten. Bij hevige bombardementen voelt ze de drukkerij heen en weer gaan. Verschillende gebouwen worden getroffen en er vallen slachtoffers. De volgende dagen loeien sirenes en rennen ze weer naar de schuilkelder. Ze beschrijft de sfeer hier en de aanwezige personen. Kinderen huilen. Brood is er bijna niet te krijgen. Na enkele dagen vlucht het gezin op eigen risico de kelder uit. Ze nemen van huis kleren, dekens en eten mee en vertrekken. Ze lopen door de brandende en rokende stad de stad uit via de Nieuwe Plantage. Daar worden ze door iemand verder gereden tot de Kralingse Plas. Ze lopen verder, er vliegt een Duits vliegtuig over hen heen met strooibiljetten waarin staat dat Nederland zich heeft overgegeven. Ze vinden 's avonds onderdak op een hooizolder bij een boerin. Er komen meer mensen. Die avond zien ze 5 kilometer verderop een vuurzee en vallende gebouwen, Rotterdam staat in brand. Ze blijven er 5 dagen. Duitse troepen trekken langs. Bij een bezoek aan de stad zien ze dat hun huis is plat gebombardeerd. Ze worden ondergebracht in een schoolgebouw en krijgen wat brood. Met een autobus worden ze Naar Oostvoorne gebracht, waar ze enkele maanden in een zomerhuisje zitten. 1 November 1940 worden ze naar Amsterdam gebracht. Na voorlopig onderdak komen ze in een huis in Amsterdam-Noord terecht. De auteur is 13 jaar. Zij woont als oudste dochter in gezin met 5 kinderen in Rotterdam tijdens het uitbreken van de oorlog. De ochtend begint met overvliegende vliegtuigen en bombardementen. Er is die dag geen school. Als er vliegtuigen over komen staat ze voor de ramen te kijken. Er wordt geschoten. Ze verduisteren het huis beter. Boodschappen doen en kerkbezoek wordt moeilijk. Er wordt teruggeschoten door Nederlandse militairen. De auteur is bang. Toch wordt Moederdag gevierd met taart. Ze schuilen in de diep gelegen schuilkelder van een drukkerij tegenover hun huis. Ze hoort niets van buiten en moet uren blijven zitten. Bij hevige bombardementen voelt ze de drukkerij heen en weer gaan. Verschillende gebouwen worden getroffen en er vallen slachtoffers. De volgende dagen loeien sirenes en rennen ze weer naar de schuilkelder. Ze beschrijft de sfeer hier en de aanwezige personen. Kinderen huilen. Brood is er bijna niet te krijgen. Na enkele dagen vlucht het gezin op eigen risico de kelder uit. Ze nemen van huis kleren, dekens en eten mee en vertrekken. Ze lopen door de brandende en rokende stad de stad uit via de Nieuwe Plantage. Daar worden ze door iemand verder gereden tot de Kralingse Plas. Ze lopen verder, er vliegt een Duits vliegtuig over hen heen met strooibiljetten waarin staat dat Nederland zich heeft overgegeven. Ze vinden 's avonds onderdak op een hooizolder bij een boerin. Er komen meer mensen. Die avond zien ze 5 kilometer verderop een vuurzee en vallende gebouwen, Rotterdam staat in brand. Ze blijven er 5 dagen. Duitse troepen trekken langs. Bij een bezoek aan de stad zien ze dat hun huis is plat gebombardeerd. Ze worden ondergebracht in een schoolgebouw en krijgen wat brood. Met een autobus worden ze Naar Oostvoorne gebracht, waar ze enkele maanden in een zomerhuisje zitten. 1 November 1940 worden ze naar Amsterdam gebracht. Na voorlopig onderdak komen ze in een huis in Amsterdam-Noord terecht. Vlak na voltooiing in het net overgeschreven door de auteur en voorzien van een aanhangsel. Zie ook dagboek 1808, Duijm, Hendrik (jongere broer van auteur) Eén van de verhalen uit het jeugdboek "Oorlog in Inkt" is gebaseerd op het dagboek van Maria Duijm.
- Collectie 244: Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek met aanhangsel (kleurenkopie van handgeschreven tekst in rode inkt)
- 1807
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer
