dhr. Aarens: De laatste loodjes
‘Op de bevrijding van Nederland hopen wij nu heelemaal niet meer,’ verzucht de in Zwijndrecht woonachtige heer Aarens in zijn dagboek over de laatste maanden van de oorlog. ‘Het schijnt voor de geall. niet de moeite waard te zijn, en ook niet belangrijk dat de Nederlandsche bevolking van kou en gebrek omkomt!’ Het is februari 1945, midden in de Hongerwinter. ‘Joop ging gisteren op de fiets naar Dordt, en toen ze 10 min. gereden had met een klein beetje wind tegen, was ze al haast teruggegaan omdat ze zoo ontzettend moe was. Zo kunnen we wel zien, dat ons weerstandsvermogen hard achteruit gaat.’ Zelf fietst hij wel naar Rotterdam, voor zijn werk bij ‘de Beurs’: ‘Om halfnegen gestart met regen en noordenwind tegen. De Rotterdammers zijn druk aan het afbreken. Van het goederenemplacement feyenoord was van hekken niets meer te zien. Zelfs groote houten loodsen waren ze aan het afbreken. Van het station feyenoord was niets meer over. Ons bijkantoor was geheel verlaten. Geen verwarming, geen telefoon meer. Van een kantoor waar 38 man zaten waren er nog 8. Machines waren opgeborgen uit vrees voor bombardementen en inbeslagname.’ Met echtgenote Joop en hun drie zoons vormt Aarens een harmonieus gezin, dat in de vorm van ‘de Trapfiets’ over een ‘eigen elektriciteitscentrale’ beschikt. Thuis wordt veelvuldig gemusiceerd (met piano, harmonica en viool) en: ‘Zooals Kerkse menschen na het eten een stukje uit de Bijbel lezen, gaan wij een fragment uit een mooi boek lezen of een gemoedelijk praatje houden, ter verbetering van de huiselijke sfeer en om elkaar beter te leeren begrijpen en waarderen.’ Maar met het uitzichtlozer worden van de Hongerwinter verslechtert ook de stemming in huis: ’De avonden beginnen ons knap te vervelen met elken avond kaarten of spelletjes. Het voorlezen begint ons ook de keel uit te hangen.’ ‘Op de bevrijding van Nederland hopen wij nu heelemaal niet meer,’ verzucht de in Zwijndrecht woonachtige heer Aarens in zijn dagboek over de laatste maanden van de oorlog. ‘Het schijnt voor de geall. niet de moeite waard te zijn, en ook niet belangrijk dat de Nederlandsche bevolking van kou en gebrek omkomt!’ Het is februari 1945, midden in de Hongerwinter. ‘Joop ging gisteren op de fiets naar Dordt, en toen ze 10 min. gereden had met een klein beetje wind tegen, was ze al haast teruggegaan omdat ze zoo ontzettend moe was. Zo kunnen we wel zien, dat ons weerstandsvermogen hard achteruit gaat.’ Zelf fietst hij wel naar Rotterdam, voor zijn werk bij ‘de Beurs’: ‘Om halfnegen gestart met regen en noordenwind tegen. De Rotterdammers zijn druk aan het afbreken. Van het goederenemplacement feyenoord was van hekken niets meer te zien. Zelfs groote houten loodsen waren ze aan het afbreken. Van het station feyenoord was niets meer over. Ons bijkantoor was geheel verlaten. Geen verwarming, geen telefoon meer. Van een kantoor waar 38 man zaten waren er nog 8. Machines waren opgeborgen uit vrees voor bombardementen en inbeslagname.’ Met echtgenote Joop en hun drie zoons vormt Aarens een harmonieus gezin, dat in de vorm van ‘de Trapfiets’ over een ‘eigen elektriciteitscentrale’ beschikt. Thuis wordt veelvuldig gemusiceerd (met piano, harmonica en viool) en: ‘Zooals Kerkse menschen na het eten een stukje uit de Bijbel lezen, gaan wij een fragment uit een mooi boek lezen of een gemoedelijk praatje houden, ter verbetering van de huiselijke sfeer en om elkaar beter te leeren begrijpen en waarderen.’ Maar met het uitzichtlozer worden van de Hongerwinter verslechtert ook de stemming in huis: ’De avonden beginnen ons knap te vervelen met elken avond kaarten of spelletjes. Het voorlezen begint ons ook de keel uit te hangen.’
- Collectie 244: Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek (cahiers)
- 2064
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer