J. Rijnboutt: Oorlogsdagboek, aanvangende 10 mei 1940.
‘’s Avonds bespreek ik met Annie en de kinderen hoe we moeten handelen bij luchtalarm ’s nachts. Annie en ik zijn tot 1 uur opgebleven om naar berichten te luisteren,’ schrijft Johannes Rijnboutt (1896-1977) op vrijdag 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval. ‘We ergeren ons dat de radio, die men omwille van de berichten steeds aan moet laten, aldoor muziek tusschen de berichten geeft. Wiens hoofd staat nu naar muziek?’ Rijnboutt, hoofd van een groot gezin in Amsterdam-Noord, is werkzaam bij de Amsterdamse Droogdok Maatschappij. ‘Ik ga op gewone tijd weer naar de werf. Om halfelf hoor ik een geweldige knal en zie een enorme rookkolom opstijgen achter het centraal-station,’ schrijft hij die zaterdag, terwijl het eerste bombardement op Amsterdam plaatsvindt, waarbij 14 panden aan de Blauwburgwal worden verwoest. Op 16 mei, twee dagen na het grote bombardement op Rotterdam, zoekt hij zijn ouders daar op: ‘Snel naar de Hooidrift, onderweg biddend dat ik ze gezond mag aantreffen. Thuis tref ik Vader, Moeder en Henk. Goddank zij leven en zijn gezond. De geheele binnenstad is verwoest.’ Toch beschrijft het met krantenknipsels gelardeerde dagboek vooral gebeurtenissen in Amsterdam: ‘Naar ik en mijn collega’s van ooggetuigen vernamen is er Zaterdag en gisteren door de Duitsche groene politie en S.A. een verschrikkelijk pogrom gehouden tegen de Joden in de Jodenbuurt,’ aldus Rijnboutt op 24 februari 1941, daags voor de Februaristaking. ‘Joden zijn uit hun huizen geslagen en hebben zich langen tijd tegen de muren met hun armen omhoog moeten opstellen. Wanneer zij door vermoeidheid hun handen lieten zakken werden zij geschopt en met geweerkolven geslagen. In tientallen groote autobussen werden de menschen dicht op elkaar geladen en weggevoerd, waarheen weet men niet.’ In 1943 overlijdt Annie op 44-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker, een echtgenoot en acht kinderen achterlatend. ‘’s Avonds bespreek ik met Annie en de kinderen hoe we moeten handelen bij luchtalarm ’s nachts. Annie en ik zijn tot 1 uur opgebleven om naar berichten te luisteren,’ schrijft Johannes Rijnboutt (1896-1977) op vrijdag 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval. ‘We ergeren ons dat de radio, die men omwille van de berichten steeds aan moet laten, aldoor muziek tusschen de berichten geeft. Wiens hoofd staat nu naar muziek?’ Rijnboutt, hoofd van een groot gezin in Amsterdam-Noord, is werkzaam bij de Amsterdamse Droogdok Maatschappij. ‘Ik ga op gewone tijd weer naar de werf. Om halfelf hoor ik een geweldige knal en zie een enorme rookkolom opstijgen achter het centraal-station,’ schrijft hij die zaterdag, terwijl het eerste bombardement op Amsterdam plaatsvindt, waarbij 14 panden aan de Blauwburgwal worden verwoest. Op 16 mei, twee dagen na het grote bombardement op Rotterdam, zoekt hij zijn ouders daar op: ‘Snel naar de Hooidrift, onderweg biddend dat ik ze gezond mag aantreffen. Thuis tref ik Vader, Moeder en Henk. Goddank zij leven en zijn gezond. De geheele binnenstad is verwoest.’ Toch beschrijft het met krantenknipsels gelardeerde dagboek vooral gebeurtenissen in Amsterdam: ‘Naar ik en mijn collega’s van ooggetuigen vernamen is er Zaterdag en gisteren door de Duitsche groene politie en S.A. een verschrikkelijk pogrom gehouden tegen de Joden in de Jodenbuurt,’ aldus Rijnboutt op 24 februari 1941, daags voor de Februaristaking. ‘Joden zijn uit hun huizen geslagen en hebben zich langen tijd tegen de muren met hun armen omhoog moeten opstellen. Wanneer zij door vermoeidheid hun handen lieten zakken werden zij geschopt en met geweerkolven geslagen. In tientallen groote autobussen werden de menschen dicht op elkaar geladen en weggevoerd, waarheen weet men niet.’ In 1943 overlijdt Annie op 44-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker, een echtgenoot en acht kinderen achterlatend.
- Collectie 244: Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek (plakboek)
- 2224
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer