Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud
Alle bronnen

(0666-01) Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht van Den Haag

1 januari 1879 - 1 januari 1988

De verantwoording van de inventaris: Het geïnventariseerde archief heeft betrekking op de periode 1920-1949. Het jaar 1949 is niet een willekeurig gekozen jaar voor de afsluiting van de oude ordeningsmethode. In dit jaar schreef het gemeentebestuur voor dat de archiefbescheiden systematisch met toepassing van dossiervorming geordend moeten worden, waarbij aan de verschillende diensten en bedrijven werd overgelaten een ordeningsstelsel te kiezen op basis van de Universele Decimale Classificatie (U.D.C.) of op basis van de Code van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Bij het Gemeentelijk Bouw en Woningtoezicht werd gekozen voor het laatste en in de loop van 1949 werd met de dossiervorming begonnen.Het ordeningsstelsel van het geïnventariseerde archief is in 1920 opgezet en het bestaat uit een aantal hoofdrubrieken met elk weer een onderverdeling in afdelingen, die weer een aantal omslagen bevatten. Het bevatte de volgende hoofdrubrieken: A. Wetten en verordeningen B. Volkshuisvesting C. Overheidszorg D. Stadsontwikkeling E. Huishoudelijk bestuur en comptabiliteit F. Laboratorium G. Stads- en woningbeheer en stadsverbetering. Deze indeling is in feite een ordeningsplan voor een "algemeen archief". De uitdrukking "algemeen archief" is blijkbaar gebezigd om aan te duiden dat daarin de stukken die betrekking hebben op de objecten waarop door de dienst inspectie is uitgeoefend niet zijn opgenomen, zoals de bouwvergunningen, de reclamevergunningen en de hinderwetvergunningen. De administratie van deze series zal later worden overgebracht. In eerste aanleg lijken de rubrieken betrekking te hebben op taakonderdelen van de dienst. Dit is slechts ten dele waar. De ontwerper van het ordeningsplan groepeerde een aantal onderwerpen waaraan hij meende voldoende te hebben om de stukken te kunnen ordenen. De post werd ingeschreven in registers (agenda's) waarin de plaats van de stukken in het archief werd aangegeven in een speciale kolom. In deze kolom van de agenda werden de aan de stukken toegekende codenummers van het ordeningsplan van het "algemeen archief" vermeld en de nummers van het centraal registersysteem voor de aan technische controle onderhevige objecten. Teneinde een indruk van de werking van het oude systeem te krijgen zijn hiernaast enige voorbeelden afgedrukt [in de papieren inventaris]. Per rubriek werd een map (dossieromslag) aangelegd waarin de bescheiden chronologisch werden gerangschikt. Wanneer de map te omvangrijk werd, werd een vervolgmap aangelegd. Bij elke rubriek (map) werd een kaart gevoegd waarop eveneens in chronologische volgorde aangetekend werd welke bescheiden in de desbetreffende rubriek werden opgeborgen. Zodra de kaart geen ruimte meer bood, werd een vervolgkaart aangelegd. De eerste kaart noemde men de "hoofdkaart". De vervolgkaart(en) noemde men "bijkaart(en)". Deze kaarten kunnen beschouwd worden als inhoudsopgaven van de desbetreffende rubrieken.Bij het inventariseren viel het op, dat de benaming van de rubrieken de inhoud niet of niet geheel dekte. Daarom was het vaak nodig van één omslag meerdere fiches aan te leggen en de inhoud van de omslagen te splitsen. Doordat dan de inhoudsopgave niet meer in overeenstemming was met de inhoud had het bewaren van de hoofd- en bijkaarten geen zin meer. Deze werden vernietigd. De vernietigbare stukken werden verwijderd. Tezamen werden 3 strekkende meters archiefbescheiden vernietigd. Hoe verder de inventarisering vorderde des te duidelijker werd het, dat de benamingen van de mappen niet in overeenstemming waren met de benamingen van het oude ordeningsplan. Verder geeft het ordeningsplan niet correct de organisatie en de taak van de dienst weer. Hierdoor was het niet mogelijk de oude orde te handhaven. Het archief is herordend waarbij de stukken ingedeeld werden in stukken van algemene aard en stukken betreffende bijzondere onderwerpen, vervolgens in stukken betreffende het organisme en de taak. De zogenaamde kabinetsstukken (inv.nrs. 45-47) waren voor wat betreft fraudes e.d. niet openbaar tot het jaar 2000. In het archief van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht (inv.nr. 582) is een proces-verbaal van overdracht aanwezig, waaruit blijkt dat het archief van het Prijzenbureau voor onroerende zaken zélf overgedragen is aan het Hoofd van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting in de provincie Zuid-Holland. Deze inventaris is samengesteld in het kader van de cursus voor de "Voortgezette Vorming Archiefbeheer". Als mentoren waren de gemeente-archivaris, de heer drs. H. Bordewijk en de gemeentelijke archiefinspecteur, de heer E.J. Eeftink, bij de inventarisatiewerkzaamheden betrokken. Mede dank zij hun adviezen is deze inventaris tot stand gekomen. NB: Door verandering van functie heeft de heer L.P. Schaap de afronding van de inventaris niet zelf ter hand kunnen nemen. Onder toezicht van de heer J.N. Hanemaaijer zijn deze werkzaamheden bij het Gemeentearchief verricht. De inventaris is op verschillende plaatsen aangevuld; waar nodig werden wijzigingen aangebracht. Niet elk inv.nr. in de toegepaste reeks is gebruikt. De geschiedenis van het toezicht van het bouwen: Het toezicht op het bouwen en het wonen, bestaat al eeuwen. Al in de keur van 30 juli 1660 wijzen Schout, Burgemeester, Schepenen en de Regeerders van 's-Gravenhage er op dat voor het bouwen, vernieuwen en vergroten van huizen enz. een vergunning nodig is. Het "Octroy" van 18 maart 1664 en de Ampliatie van 4 april 1746 waren, evenals de keur van 1660, bepalingen hoofdzakelijk bestaande uit beschouwingen en overwegingen. Eerst het brandweerreglement van 1802 draagt duidelijk het karakter van een in artikelen ingedeelde verordening. Van 1816 tot 1857 gold een instructie voor de Rooimeesters en na het laatstgenoemde jaar tot ongeveer 1872 was een commissie van toezicht op het bouwen werkzaam, die belast was met het toezicht op de naleving van de bepalingen opgenomen in de Algemene Politieverordening betreffende het bouwen en verbouwen. In 1872 werd het toezicht op het bouwen opgedragen aan een speciale ambtenaar. Een Inspecteur der Bouwpolitie en een adjunct werden aangesteld. Op 1 augustus 1902 trad de Woningwet in werking en de bevoegdheden die de gemeenten op grond van de Gemeentewet al bezaten, werden omgezet in verplichtingen. Voor de uitvoering van deze wet kon niet worden volstaan met de beschikbare ambtenaren van de Bouwpolitie. Daarbij kwam dat de ontwikkeling van de industrie het Gemeentebestuur voor moeilijke beslissingen plaatste bij het toepassen van de Hinderwet. Er moest een nieuwe organisatie tot stand komen.Op 1 juli 1906 werd de verordening, regelende de Bouwpolitie ingetrokken en het Gemeentelijk Bouw en Woningtoezicht ingesteld. Er ontstond een dienst waarvan de afdelingen werden belast met Bouwtoezicht, Woningtoezicht, Hinderwet en onderzoek van bouwmaterialen. Daarnaast was er een afdeling "Algemene Dienst". De Woningwet had aanvankelijk alleen betrekking op woningen. Door de wijziging in 1931 vielen ook andere gebouwen onder de wet en kwam de verplichting tot de vaststelling van algemene voorschriften en de bevoegdheid tot vaststelling van bijzondere voorschriften ter bepaling van de voorgevel en de achtergevelrooilijn, tot stand.De dienst is belast met de uitvoering van voorschriften waaraan nieuw te bouwen woningen moeten voldoen en betreffende het vernieuwen, veranderen en vergroten van woningen, evenals voorschriften ter voorkoming van onbruikbaarheid en verval, tot verbetering van woningen en tot afvoeren van slechte woningen (onbewoonbaarverklaring) en voorschriften betreffende behoorlijke bewoning; alle zaken met een sterk sociale inslag. Ook kan in dit verband worden genoemd het bewaken van de hechtheid van de nieuw op te richten bouwwerken en van bestaande gebouwen in het belang van de veiligheid, in de eerste plaats van de bewoners en gebruikers.De toetsing van de bouwplannen aan de voorschriften van de bouwverordening, evenals de controle op de uitvoering van de bouwwerken en de daarbij toegepaste bouwmaterialen, bevorderen het deugdelijk bouwen. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd tot verlenging van de levensduur van de gebouwen; een groot economisch belang. In dit verband zij voorts nog gewezen op de werkzaamheid, eveneens in het belang van het deugdelijk bouwen, van het aan de dienst verbonden laboratorium voor onderzoek van bouwmaterialen. De Hinderwet beoogt het voorkomen c.q. beperken van gevaar, schade en hinder ten aanzien van omwonenden en hun eigendommen in de omgeving van inrichtingen en veroorzaakt door een of meerdere hinderwetsplichtige inrichtingen. Deze wet draagt de uitvoering op aan lagere organen en ook aan de gemeenten werd een belangrijke taak opgedragen. De advisering in hinderwetzaken geschiedt door het Gemeentelijk Bouw en Woningtoezicht. De afdeling Algemene Dienst bestond uit een aantal onderafdelingen, o.a. de tekenkamer, de statistiek, het archief en de administratie. De Algemene Dienst had tot taak de tot stand gekomen bebouwingen in kaart te brengen en een statistiek bij te houden van de woningvoorraad. Ook werden de leegstaande woningen geteld. In 1937 werd de dienst betrokken bij de uitvoering van de Wet op de bescherming tegen luchtaanvallen. Bij de behandeling van aanvragen om bouwvergunning gaf men voorlichting over de bouw en de inrichting van schuilplaatsen. In verband met de ruime woningmarkt was in Den Haag de woningproductie sinds 1934 belangrijk teruggelopen (in 1935 stonden er 10.000 woningen leeg) en in de tweede wereldoorlog was er totaal geen productie meer. In de jaren 1940-1945 verminderde de woningvoorraad bovendien, omdat 8.349 woningen en 979 andere gebouwen waren gesloopt of verwoest. Door de oorlogshandelingen werden ook nog 1.418 woningen en 242 andere gebouwen zwaar beschadigd en 11.909 woningen en vele andere gebouwen licht beschadigd. Tegenover het teruglopen van de woningproductie en de vermindering van de woningvoorraad stond de toeneming van het aantal inwoners. Verhoging van de huurprijzen kon niet uitblijven tenzij van overheidswegen maatregelen werden getroffen, wat in 1940 resulteerde in het Huurbesluit. De uitvoering van het besluit werd in handen gelegd van de dienst, omdat was voorgeschreven dat in het ambtsgebied van elke Kantonrechter een "prijzenbureau" moest worden ingesteld met als hoofd de directeur van het Gemeentelijk Bouw en Woningtoezicht in de grootste gemeente van het kanton.Een andere taak tijdens de oorlog was de distributie van de schaars geworden bouwmaterialen. Voorts werd regelmatig de schade geraamd, welke door de oorlogshandelingen aan gebouwen was toegebracht. Na de oorlog begonnen het Rijk en de Gemeente gezamenlijk aan de wederopbouw. Bij de dienst werd een bureau "Goedkeuring van Werken" ondergebracht. De goedkeuring om te mogen bouwen was nauw verwant aan de distributie van bouwmaterialen. Op 1 augustus 1949 werd het bureau opgeheven. Bronvermeldingen: Ontleend aan een brochure getiteld 'Bouw- en Woningtoezicht 1906-1956'.

Vervaardiger
  • L.P. Schaap (1978); C.J.J. Stal (1985); J.H. Coelingh Bennink en R. Grootveld (1993)
Collectie
  • Archieven Haags Gemeentearchief
Type
  • archief
Identificatienummer van Haags Gemeentearchief
  • 0666-01
Trefwoorden
  • Openbare orde en Veiligheid
Disclaimer over kwetsend taalgebruik

Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief
De Oorlogsbronnen.nl nieuwsbrief bevat een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
WO2NETMinisterie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Vijzelstraat 32
1017 HL Amsterdam

info@oorlogsbronnen.nlPers en media
Deze website is bekroond met:Deze website is bekroond met 3 DIA awardsDeze website is bekroond met 4 Lovie awards