H.F.C. van Oijen: Dagboek (cahier)
Dagboek van Amsterdammer H.F.C. van Oijen over zijn tewerkstelling in ‘de Ostmark’ (tegenwoordig Neder-Oostenrijk). Op 14 december 1944, zijn twintigste verjaardag, schrijft Van Oijen: ‘Als een gek moeten werken, 5 uur lang achtereen balken wegbrengen 100 meter verder. Mijn regenjas ziet er vreselijk uit, mijn houtschoenen zijn stuk en heb natte voeten. De slechtste verjaardag van mijn leven.’ In een fabriek in Wöllersworf ‘moeten ook vrouwen aan de draaibank werken. Ik kan het niet aanzien dat een oud vrouwtje, een wrak gewoonweg, ook nog de hele dag moet werken. De hele dag zie ik haar met zware emmers sjouwen, nee, dat kan ik niet zien. Die vervloekte bende.’ De eerste maanden zoekt Van Oijen nogal eens de wouden en bergen rondom Wöllersworf op, of doet hij op een nabijgelegen sportterrein aan atletiek. De situatie verergert wanneer hij die winter met andere Nederlandse, Russische, Poolse, Franse en Italiaanse dwangarbeiders naar Mannersdorf reist, alwaar in stallen van boerderijen moet worden overnacht bij 20 graden onder nul: ‘Bij ons in de stal is het zeer vochtig. Wij hebben geen licht meer, een kachel ontbreekt.’ Doet hij eerder nog aan atletiek, nu zijn er ernstige lichamelijke klachten: ‘‘s Nachts erg beroerd. Hoorde ratten of muizen onder het stroo lopen. Heb me bevuild. Mijn maag brand me bijna af.’ Bulten, door ontstekingen, in zijn nek worden door een dokter zonder verdoving opengesneden. Er zijn zorgen om zijn in Duitsland tewerkgestelde zusje en om hun moeder in Amsterdam, van wie hij vreest dat ze de Hongerwinter niet zal overleven. Maar als men in april bevrijd wordt door de Russen, waarbij door de militairen talloze vrouwen worden verkracht, keert men terug naar Nederland. Deels te voet, deels per trein trekt men door Hongarije, Rusland, Griekenland en Frankrijk. In juni 1945 logeert Van Oijen enige dagen in Waalwijk. Dagboek van Amsterdammer H.F.C. van Oijen over zijn tewerkstelling in ‘de Ostmark’ (tegenwoordig Neder-Oostenrijk). Op 14 december 1944, zijn twintigste verjaardag, schrijft Van Oijen: ‘Als een gek moeten werken, 5 uur lang achtereen balken wegbrengen 100 meter verder. Mijn regenjas ziet er vreselijk uit, mijn houtschoenen zijn stuk en heb natte voeten. De slechtste verjaardag van mijn leven.’ In een fabriek in Wöllersworf ‘moeten ook vrouwen aan de draaibank werken. Ik kan het niet aanzien dat een oud vrouwtje, een wrak gewoonweg, ook nog de hele dag moet werken. De hele dag zie ik haar met zware emmers sjouwen, nee, dat kan ik niet zien. Die vervloekte bende.’ De eerste maanden zoekt Van Oijen nogal eens de wouden en bergen rondom Wöllersworf op, of doet hij op een nabijgelegen sportterrein aan atletiek. De situatie verergert wanneer hij die winter met andere Nederlandse, Russische, Poolse, Franse en Italiaanse dwangarbeiders naar Mannersdorf reist, alwaar in stallen van boerderijen moet worden overnacht bij 20 graden onder nul: ‘Bij ons in de stal is het zeer vochtig. Wij hebben geen licht meer, een kachel ontbreekt.’ Doet hij eerder nog aan atletiek, nu zijn er ernstige lichamelijke klachten: ‘‘s Nachts erg beroerd. Hoorde ratten of muizen onder het stroo lopen. Heb me bevuild. Mijn maag brand me bijna af.’ Bulten, door ontstekingen, in zijn nek worden door een dokter zonder verdoving opengesneden. Er zijn zorgen om zijn in Duitsland tewerkgestelde zusje en om hun moeder in Amsterdam, van wie hij vreest dat ze de Hongerwinter niet zal overleven. Maar als men in april bevrijd wordt door de Russen, waarbij door de militairen talloze vrouwen worden verkracht, keert men terug naar Nederland. Deels te voet, deels per trein trekt men door Hongarije, Rusland, Griekenland en Frankrijk. In juni 1945 logeert Van Oijen enige dagen in Waalwijk.
- Collectie 244: Europese dagboeken en egodocumenten
- Dagboek (cahier)
- 2037
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer