(0721-01) Keuringsdienst van Waren gemeente Den Haag
Inrichting van de dienst: De gemeentelijke keuringsdienst, 1906-1919: Op 8 oktober 1906 nam de gemeenteraad het besluit om een keuringsdienst van levensmiddelen in te stellen (Zie: Handelingen van de Gemeenteraad 8 oktober 1906, blz. 430-434). Naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders behoorde een zodanige dienst zich ten doel te stellen te voorkomen, 'dat ondeugdelijke voedingsmiddelen (...) binnen de Gemeente voor consumptie worden verstrekt ondeugdelijk, hetzij gezondheidsschadelijk, hetzij, zonder door hun positieve eigenschappen schadelijk voor de gezondheid te zijn, minderwaardig' (Zie: Bijlagen van de Handelingen van de Gemeenteraad 27 juli 1906 No. 712, blz. 428). Aan de te benoemen directeur werden zware eisen gesteld. Hij moest zowel scheikundige zijn als bacterioloog en bij voorkeur ook botanicus en 'pharmacognast'. Voor wat betreft het beheer van de dienst zou het college van burgemeester en wethouders worden bijgestaan door een vaste raadscommissie. (Zie het archief van de vaste raadscommissie van bijstand in het beheer van den Keuringsdienst van eet- en drinkwaren, 1907-1911, bnr. 587).De keuringsdienst van eet- en drinkwaren begon zijn werkzaamheden op 1 februari 1908. De werkzaamheden bestonden uit '(...) het regelmatig toezicht op- en het onderzoek van eet- en drinkwaren, die ten verkoop voorhanden zijn, worden afgeleverd, binnen de Gemeente worden ingevoerd, in het openbaar zijn uitgestald, worden rondgebracht, rondgevent, te koop aangeboden of vervoerd' (Zie: de Verordening betreffende den keuringsdienst van eet- en drinkwaren 1907 No. 22. art. 1 lid 1). In de jaren 1913-1917 sloten de volgende gemeenten zich vrijwillig bij de Haagse dienst aan: Delft, Hof van Delft, Vrijenban, Stompwijk, Veur, Voorburg, Wassenaar en Wateringen. Al in 1911 oefende de Haagse dienst controle uit op melk in de gemeente Loosduinen. De keuringsdienst van waren, 1920-1985: Nadat in 1919 eindelijk een landelijke Warenwet tot stand was gekomen (Stbl. 581), werd bij Koninklijk Besluit van 19 juli 1920 No. 33, de keuringsdienst van waren in 's-Gravenhage opgericht, waarbij 33 gemeenten waren aangesloten. (Zie voor een opsomming van de aangesloten gemeenten het jaarverslag van de keuringsdienst van waren 1922). In totaal werden eenentwintig keuringsdiensten ingesteld, waarvan er drie samenvielen met de provinciale grenzen. Ook onder de landelijke wetgeving behielden de keuringsdiensten hun gemeentelijke status. Met de 'verordening op den keuringsdienst van waren voor het gebied 's-Gravenhage', 1921 No. 10, trad voor het gebied 's-Gravenhage de warenwet in werking. De keuringsdienst werd belast met de handhaving voor zover de dienst daartoe bevoegd was van de warenwet en van de algemene maatregelen van bestuur, ingevolge deze wet vastgesteld. In 1935 werd uit bezuinigingsoverwegingen het aantal keuringsdiensten tot zestien teruggebracht. Bedrijven moesten voortaan een bijdrage leveren in de kosten van de keuringsdiensten, middels de zgn. retributieheffing. De gemeente 's-Gravenhage werd opnieuw aangewezen als een gemeente waar een keuringsdienst gevestigd moest zijn. Aanvankelijk wijzigde men het gebied van de keuringsdienst, maar reeds in maart 1936 werd het oude gebied hersteld.Er vond geen wijziging van de status van de keuringsdienst plaats. Pas aan het einde van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig uitten bewindslieden de wens om de zestien zelfstandig opererende keuringsdiensten centraal te besturen. Directeur J.W.Th. Coolsma schreef in het jaarverslag van 1983 over deze ontwikkeling: 'Geleidelijke verschuiving van aandacht van gezondheidszorg naar gezondheidsbescherming speelt hierbij een belangrijke rol en tegen de gedachte dat degenen die in feite het beleid ten aanzien van dit deel van de gezondheidsbescherming uitstippelen ook meer direct bij het beheer van de uitvoerende diensten zouden zijn betrokken zijn weinig steekhoudende tegenwerpingen aan te voeren.' (Zie: Jaarverslag van de keuringsdienst van waren 1983, blz. 5). Met ingang van 1 januari 1986 werd de gemeentelijke keuringsdienst van waren een rijksdienst onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Op weg naar een gemeentelijke keuringsdienst, 1878-1906: Op 2 april 1878 nam de gemeenteraad het voorstel aan van de heer Kips c.s. om een onderzoek in te stellen naar de deugdelijkheid van eet- en drinkwaren. In 1879 begon men op bescheiden schaal met het onderzoek, dat evenwel drie jaar later werd gestaakt. Naar aanleiding van een adres van de Vereeniging voor Handel en Nijverheid werd het weer voortgezet in 1888. Aan de instelling van een bureau voor onderzoek van levensmiddelen dacht men echter nog niet. Deze gedachte won pas veld in 1892, het jaar waarin Den Haag bedreigd werd door een cholera-epidemie. Het college van burgemeester en wethouders nodigde toen de 'Vereeniging tot verbetering van den gezondheidstoestand' uit een ontwerp-verordening samen te stellen op een gemeentelijk bureau van levensmiddelen.Het door de vereniging ter tafel gebrachte ontwerp werd gesteund door de Christelijken Volksbond en de Vereeniging Handel en Nijverheid. Tot de oprichting van een gemeentelijk bureau van levensmiddelen kwam het nochtans niet. De commissie voor de huishoudelijke verordeningen adviseerde de gemeente te wachten met de oprichting van een dergelijk bureau, totdat de rijkswetgever deze zaak ter harte zou nemen (Zie: Bijlagen van de Handelingen van de Gemeenteraad 1 juni 1897 No. 376, blz. 114). Het Rijk had immers al in verschillende artikelen van het strafwetboek bepalingen opgenomen tegen vervalsing van eet- en drinkwaren. In 1896 was er nog steeds niets geregeld. Op 27 oktober van dat jaar benoemde de gemeenteraad een commissie uit zijn midden van vijf leden, met de opdracht de raad van advies te dienen omtrent de vraag 'of het onderzoek van levensmiddelen in deze gemeente al dan niet nadere regeling vereist, en als de commissie die vraag bevestigend beantwoord, alsdan eene regeling wel te willen ontwerpen'. (Zie: Handelingen van de Gemeenteraad 27 oktober 1896, blz. 133). De commissie legde haar bevindingen vast in een rapport, dat op 17 juni 1897 ter lezing werd neergelegd. De commissie adviseerde onomwonden tot de instelling van een gemeentelijk bureau voor onderzoek van levensmiddelen. Desondanks zou dit bureau pas een kleine tien jaar later worden opgericht.
- R. Spork (1990)
- Archieven Haags Gemeentearchief
- archief
- 0721-01
- Gezondheidszorg
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer