Vlooswijkpolder, 1682-1965
Inleiding De Staten-Generaal verleenden aan de magistraat van Axel, Neuzen en Biervliet op 31 maart 1595 octrooi tot bedijking van de schorren, tegen de Triniteit-, Willemskerke- en Lovenpolder, die sedert 1442 (moet zijn 1492) met de zee gemeen lagen. Hierbij was nog ca. 400 gemet van de in 1583 geïnundeerde Willemskerkepolder. De steden zagen zelf geen kans de gronden te bedijken en gaven deze daarom ter inpoldering uit aan Bartholt van Vlooswijk, een aanzienlijk burger van Rotterdam. In verband mot zijn slechte financiële toestand, kwam de bedijking eerst in 1608 gereed. De polder werd ook wel Nieuw-Willemskerke genoemd, terwijl ook de naam Flodewijk wel voorkomt. Het ging de nieuwe bedijking niet voorspoedig. Reeds op 18 februari 1609 inundeerde deze, doch werd hetzelfde jaar weer droog gemaakt. In 1617 vond de tweede overstroming plaats en op 8 maart 1625 de derde. Verder vonden nog overstromingen plaats in 1682 en 1808. Het octrooi van 1595 vermeldt dat de uitwatering mocht geschieden via het conduit van Terneuzen. In 1787 was de suatiesluis nagenoeg onbruikbaar vanwege de verzanding. De nieuwe sluis werd gelegd bij de contrescarpe van de vesting. Op 10 mei 1787 werd een nieuw contract gesloten met de polders Sluis, Goessche, Oude-Zevenaar, Kleine, Grote en Huygersluis en Lieven ter vervanging van het contract van 1697. De Nieuw-Westenrijk- en Kleine-Zevenaarpolder sloten op 13 maart 1796 een overeenkomst met de Vlooswijkpolder. De kanaalwerken van 1825-1827 sneden de polder in drie delen. De uitwaaiering werd toen verlegd naar de schutkolken van de West- en Oostsluis. Het door kanaalarmen ingesloten deel loosde op de oostelijke kanaalarm.
- Archieven Zeeuws Archief
- Archief
- 3644
- Verkeer en Waterstaat
Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer